1.   orgaan zn. 'lichaamsdeel met een bepaalde functie; spreekbuis, verenigingsblad'
categorie:
leenwoord
Mnl. organe 'orgaan (van het lichaam)' in van allen organen des lichaems [1466; MNW-P], 'stem' in bemiddeling ... door het orgaan van broeder Syard '... de stem van, het spreken van ...' [1836; WNT], 'woordvoerder, krant, spreekbuis' in De organen van een tegenovergestelde richting [1879; WNT], Katkoff maakt zich tot orgaan en leider van die strooming [1886; WNT].
Ontleend aan Grieks ├│rganon 'orgaan (lichaamsdeel)', een specifieke betekenis bij algemener 'werktuig'. Het woord is een afleiding van dezelfde Indo-Europese wortel als die van werk.
De betekenis 'spraakorgaan' breidde zich in het Nederlands uit tot '(de functie van) de stem', vanwaar overdrachtelijk 'woordvoerder, spreekbuis' en bij uitbreiding 'krant, nieuwsblad'. In deze laatste betekenis blijft het woord beperkt tot niet-algemene nieuwsbladen, d.w.z. die van een bepaalde organisatie, politieke partij, vereniging e.d. Zie ook orgel.
Fries: orgaan


  naar boven