1.   manuaal zn. 'handboek; klavier van orgel; gebaar'
categorie:
leenwoord
Mnl. manuael 'boek dat men bij de hand houdt' [eind 15e eeuw; MNHWS]; vnnl. manuael 'handboek' [1538; MNHWS]; nnl. manuaal 'handgreep, vaste handeling' [1701; WNT], 'toetsenrij van orgel, clavecimbel, piano enz.' in vele orgels hebben 2, 3 of 4 ... manualen, welke terrasvormig boven elkander liggen [ca. 1883; WNT], 'karakteristiek of vastliggend handgebaar' in het manuaal van op de deur tikken [1890; Groene Amsterdammer].
Het Middelnederlandse zn. manuaal 'handboek' is wrsch. ontleend aan vulgair Latijn manuale 'boekfoedraal' en 'handboek', letterlijk 'datgene wat de hand betreft', zelfstandig gebruik van de onzijdige vorm van het klassiek-Latijnse bn. manuālis 'betreffende de hand, met de hand', een afleiding van manus 'hand' en verwant met mondig. Zie ook manicure, manifest, manipulatie, manoeuvre. De latere betekenissen van het zn. manuaal zijn ontstaan op basis van het Latijnse bn. in betekenissen als 'met de hand', 'voor de hand', 'geschikt voor de hand'.
Er bestond ook een bn. manuaal 'met de hand': vnnl. manuael [1553; Van den Werve], eenige manuale operatiën [1643; WNT Aanv. manuaal II], dat tot in de 20e eeuw nog voorkomt, bijv. in manuale bewerkingen [1959; WNT Aanv. calcul I]; dit is rechtstreeks ontleend aan het Latijnse bn. Het bn. manueel is ontleend via het Frans.
Fries: manuaal, mannewaar


  naar boven