1.   inch zn. 'bepaalde maateenheid, Angelsaksische duim (2,54 cm)'
categorie:
leenwoord
Nnl. inch 'maateenheid' [1832; Weiland].
Ontleend aan Engels inch 'id.', ontwikkeld uit Oudengels ynce, ontleend aan Latijn uncia 'een twaalfde deel, bijv. van een munt- of gewichteenheid', uit ouder *oiniciā, afleiding van *oinos 'één', waaruit Latijn ūnus, zie ook ons 2 'gewicht'.
Zoals voor zovele oude maateenheden, gold ook voor de inch dat de precieze waarde ervan van plaats tot plaats en van land tot land kon verschillen. In 1958 werd internationaal afgesproken de inch te definiëren als exact 25,4 millimeter.


  naar boven