1.   inclusief vz. 'met inbegrip van'
categorie:
leenwoord
Vnnl. eerst als bijwoord inclusijf 'inbegrepen' [1553; van den Werve], inclusive in die malkanderen verwant syn tot in den derden graet inclusive '(personen) die met elkaar verwant zijn tot en met de derde graad' [1600; WNT partijdig]; nnl. tot den 22 Mey inclusief 'tot en met 22 mei' [1790; WNT verteer]; als voorzetsel pas veel later: inclusief de coupon [1878; Groene Amsterdammer], prijs, inclusive 2 extra glazen [1889; Groene Amsterdammer].
Het woord gaat terug op middeleeuws Latijn inclusive, bijwoord bij het bn. inclusivus 'inbegrepen', een afleiding van klassiek Latijn inclūdere (verl.deelw. inclūsus) 'insluiten', gevormd uit in- 3 'in-' en claudere 'sluiten', zie klooster. Het woord werd eerst in eindpositie geplaatst en kwam vooral voor in ambtelijke taal, wrsch. als rechtstreekse ontlening aan het Latijn. De vorm inclusief vertoont dan invloed van verouderd Frans inclusif 'inbegrepen' [1507; Rey], waarvoor nu inclus wordt gebruikt, en ook in het Nederlands incluis al gebruikelijker was, zie hieronder.
Het gebruik van inclusief als voorzetsel komt niet voor in het Frans of het Engels, maar is wel al eerder ontstaan bij Duits inklusive [17e eeuw; Pfeifer]. Het Nederlandse voorzetsel, dat in het begin vooral voorkomt in financiële berichten en in de handel, lijkt dus via het Duits te zijn ontleend.
incluis bn. 'inbegrepen'. Vnnl. van kers(tmis) tot paesschen beide de dagen incluz 'vanaf de Kerst tot en met Pasen' [1508-09; MNW overen], tot den vierden graed incluys 'tot en met de vierde graad' [1569; WNT]. Via Frans inclus 'id.' [1394; Rey] ontleend aan Latijn inclūsus 'id.', zie boven.


  naar boven