1.   incubatie zn. 'het sluimeren van een ziektekiem'
categorie:
leenwoord
Nnl. incubatie 'tempelslaap (zie onder); het broeden' [1824; Weiland], dan "het ontwikkelingstijdperk eener ziekte" [1847; Kramers], een ziekte, die meest in de periode der incubatie zich overplant [1879; WNT Aanv.], meestal in samenstellingen als incubatietijd [1871; WNT Aanv.], incubatieperiode e.d.
In deze betekenis een internationaal medisch neologisme, als overdrachtelijke betekenis bij Latijn incubātiō 'het broeden', afleiding van incubāre 'liggen op, zitten te broeden', gevormd uit in- 3 'op' en cubāre 'liggen' (zie ook concubine), waarvan de verdere herkomst onduidelijk is. Het woord bestond in de Romaanse talen en het Engels al eerder met de klassiek-Latijnse betekenis 'het broeden', bijv. Engels incubation [1646; OED], Frans incubation [1694; Rey]. In het Nederlands is deze betekenis wrsch. beperkt gebleven tot de woordenboeken.
Een specifieke betekenis van incubātiō in de Oudheid was de zogenoemde 'tempelslaap', te weten het slapen in een tempel of grot, ter genezing, ter verkrijging van dromen, enz. Het woord heeft die betekenis nu alleen nog in historische context.


  naar boven