1.   incasseren ww. 'innen; gedwongen zijn te ondergaan'
categorie:
leenwoord
Nnl. incasseren '(geld) innen' in de penningen voor de afkomst der Laadingen waaren geincasseerd [1775; WNT uitschot], ook overdrachtelijk 'gedwongen zijn te ondergaan', eerst in incasseringsvermogen [1942; WNT Aanv.].
Ontleend aan Italiaans incassare 'innen (van geld)' [1495; DEDLI], gevormd uit in- 3 'in-' en cassa 'geldkas', zie kas(sa).
incasso zn. 'het innen van geld'. Nnl. incasso 'id.' [1847; Kramers]. Ontleend aan Italiaans incasso, afleiding van incassare.


  naar boven