1.   incident zn. 'storend voorval'
categorie:
leenwoord
Vnnl. incident 'onvoorzien voorval' [1553; van den Werve], 'uitweiding over een bijzaak tijdens een proces' [1599; Kil.], 'onvoorziene, meestal storende gebeurtenis' [1697; WNT].
Via Frans incident 'onverwachte gebeurtenis' [eind 13e eeuw; Rey], ook 'juridische bijzaak' [eind 14e eeuw; Rey], ontleend aan Latijn incidēns (genitief -entis) 'voorval', eigenlijk het teg.deelw. van incidere 'zich voordoen', oorspr. 'vallen in of op', gevormd uit in- 3 'in-' en cadere 'vallen', zie kans. Eenzelfde betekenisovergang van 'vallen' naar 'zich voordoen' treedt ook op bij voorvallen.
incidenteel bn. 'terloops, bijkomend; niet regelmatig'. Vnnl. 'bijkomend' in juridische context, bijv. in incidentele versoecken [1644; Stall.]; nnl. incidenteel 'terloops' [1924; van Dale], 'niet regelmatig' [1940; WNT Aanv. cultuur]. Afleiding van het zn.


  naar boven