1.   inchecken ww. 'zich melden voor een reis of overnachting'
categorie:
leenwoord
Nnl. inchecken "zijn bagage laten wegen en zijn instapkaart in ontvangst nemen" [1984; van Dale], 'zich na aankomst in het hotel melden en de kamersleutel in ontvangst nemen' [1991; NRC].
Ontleend aan Engels check in 'zich persoonlijk melden voor aankomst of vertrek, zich inschrijven' [1918; OED], gevormd uit in 'in' en het werkwoord check 'controleren', zie checken. Het feit dat bij het zich melden de reeds bekende gegevens van de reservering worden gecontroleerd, verklaart de Engelse betekenisverschuiving van 'controleren' naar 'zich melden'.
In het Nederlands werd het woord aanvankelijk alleen gebruikt bij vliegreizen, later breidde de betekenis zich uit tot het inchecken bij hotels e.d. en bij meerdaagse evenementen. Oorspronkelijk was inchecken alleen onovergankelijk: u moet twee uur van tevoren inchecken. Het heeft zich inmiddels aangepast aan het Nederlandse systeem waarin vrijwel alle werkwoorden met voorvoegsels overgankelijk of wederkerend zijn: u mag 20 kg bagage inchecken; u moet zich twee uur van tevoren inchecken.


  naar boven