1.   monteren ww. 'in elkaar zetten'
categorie:
leenwoord
Vnnl. monteren 'voorzien (van), uitrusten (met)' in van ... een Leere fraey ghemonteirt 'fraai voorzien van een lederen hengsel' [1561; WNT zaad], 'opmaken, in orde brengen' een rapier of degen geheel gemonteert, te weten ... vergult geciseleert en met silver ingeslagen [1662; WNT zwaardveger]; nnl. monteren 'in een vatting zetten' in steentjes ... in goude bandjes gemonteerd [1762; Vad.lett., 68], 'voorzien van, bevestigen aan' in gemonteerd met een ... koperdraad en knop [1791; Vad.lett., 70], 'gereedmaken, samenstellen, de verschillende delen verenigen' [1847; Kramers], 'aanleggen, in elkaar zetten' in het monteeren van hoogspanningsinstallaties [1911; NRC].
Ontleend aan Frans monter 'de onderdelen van iets in elkaar zetten' [1576; TLF], eerder al 'bouwplannen voor een huis maken' [ca. 1270; FEW], '(iets) op grotere hoogte plaatsen' [ca. 1230; TLF], onovergankelijk 'stijgen, hoger komen' [ca. 1100; TLF], 'een dier bestijgen' [eind 10e eeuw; TLF] < Laatlatijn *montare 'stijgen, beklimmen' een afleiding van klassiek Latijn mōns (genitief montis) 'berg'. Uit de betekenis 'iets op grotere hoogte plaatsen', dus 'iets op iets anders plaatsen' kon zich via 'dingen op doordachte wijze op elkaar zetten' de betekenis ontwikkelen 'iets zodanig in of aan elkaar zetten dat het gewenste geheel ontstaat'. Ook kon uit de betekenis 'uitrusten, van het nodige voorzien' [ca. 1400; TLF] de betekenis ontstaan 'iets op de vereiste wijze ergens aan bevestigen'.
Latijn mōns 'berg' < *mon-ti- is verwant met minae 'uitsteeksels, kantelen', e-minēre 'uitsteken' (zie eminent), pro-minēre 'id.', en verder met: Oudnoords møna 'omhoogsteken'; Avestisch mati- 'vooruitspringend gedeelte, kaap'; Welsh mynydd 'berg', Cornish meneth 'id.', Bretons menez 'id.', Iers monadh 'id.'; < pie. *mon-io- 'uitsteeksel' (IEW 726). Hierbij hoort ook de afleiding *mn-to- 'kin, mond', zie mond.
Frans monter was al ontleend in het Middelnederlands als monteren, met de betekenis 'te paard stijgen' [1350; MNW], ook 'in het zadel helpen' en ook 'wapenen, van ruiteruitrusting voorzien' [1300-50; MNW]. Ook de betekenis 'stijgen boven' is in het Vroegnieuwnederlands ontleend, bijv. in niet monteerende boven de somma van 'de somma van ... niet te boven gaand' [1625; WNT Supp. appointement]. Beide betekenissen zijn in het begin van de Nieuwnederlandse periode verdwenen.
monteur zn. 'technicus, mechanicien'. Nnl. monteur [1863; Kramers]. Ontleend aan Frans monteur 'iemand die apparaten enz. in elkaar zet, technicus' [1765; TLF], afleiding van monter 'in elkaar zetten', zie hierboven.
Fries: montearje ◆ monteur


  naar boven